Regenbogen

 

Regenbogen ontstaan als zonlicht, dat uit verschillende kleuren met verschillende golflengten bestaat, gebroken wordt door waterdruppels. Deze waterdruppels buigen de verschillende kleuren licht af onder een verschillende hoek. 

Meestal ontstaan er twee regenbogen. De binnenste, de primaire boog, maakt een hoek van 42 graden met de aarde. Deze boog heeft de felste kleuren. Rood bevindt zich aan de buitenkant van deze boog, blauw aan de binnenkant. De buitenste regenboog, de secundaire boog, is veel minder fel dan de primaire boog. Soms zijn de kleuren in deze boog zo zwak, dat deze boog niet te zien is. De secundaire boog maakt een hoek van 52 graden. In deze boog is de kleurenvolgorde precies andersom dan in de primaire boog. Zoals in onderstaand plaatje is te zien, wordt de zonnestraal bij een primaire regenboog een keer gereflecteerd in de druppel, terwijl bij de secundaire regenboog de zonnestraal 2 keer gereflecteerd wordt. 


Tussen de twee regenbogen in is een donkere band te zien. Dit is de Band van Alexander, vernoemd naar de Griekse filosoof Alexander van Aphrodisias die deze band als eerste beschreef. Deze band is zo donker omdat al het licht dat normaal dit gedeelte van de lucht zou verlichten, al afgebogen is naar boven en onder en zo voor de primaire en secundaire bogen gebruikt worden. 

Regenbogen zijn te zien als de zon laag aan de hemel staat. Hoe lager de zon staat, hoe hoger de boog is. De grootte van de druppels heeft invloed op kleuren van de regenboog. Bestaat de regenboog vooral uit hele grote druppels, dan zijn de kleuren helder en is vooral rood opvallend aanwezig. De regenboog is dan smal. Bij kleinere druppels zal de buitenkant meer oranje worden. De boog zal breder worden. In sommige gevallen zijn de druppels heel erg klein, bijvoorbeeld als het mistig is. De boog heeft dan geen kleur en wordt een mistboog genoemd.